MenuHistorie
De kleine dictator van Kasteel Groenendael. Carel Frederick van Weijhernn, kapitein der infanterie in dienst van de koning van Denemarken. Dat klinkt prachtig. De komst van deze onbekende hoge militair moet indruk gemaakt hebben in de dorpsgemeenschap van Hilvarenbeek. Een kapitein is niet niks. Aan het hoofd van een compagnie stond een kapitein bijgestaan door een luitenant, een vaandrig, twee sergeanten, drie korporaals en twee tromslagers, een schrijver, een chirurgijn en een provoost. De kapitein verdiende driemaal zoveel als zijn plaatsvervanger, de luitenant, en ruim tien keer zoveel als de chirurgijn of de provot. Deze nog jonge officier (geboren omstreeks 1690) beschikte zodoende over voldoende vermogen om kasteel Groenendael te kopen van de erfgenamen van ritmeester en oorlogsveteraan Hendrik van Brecht, de oude kasteelheer die op 10 januari 1720 op 78-jarige leeftijd was overleden. Zijn kinderen verkopen het kasteel 'met heide, grachten, landerijen, boomgaarden, plantages en een perceel akkerland, gelegen bij het gasthuis'. Lommerrijk optrekje Hoe kwam Weijhernn op het idee om juist Hilvarenbeek een optrekje te kopen? Kenden Hendrik van Brecht en de kapitein elkaar wellicht van het 'werk'? In mei arriveert Van Weijhernn met zijn vijf jaar jongere vrouw Regina van Spijck bij het lommerrijke Groenendaal. Hij heeft zich voorgenomen om hier tot rust te komen, kinderen te krijgen en zijn tijd te vullen met het houden van paarden, het managen van een paar boerderijen en het hebben van bestuursfuncties. Dit tijdbestedingspatroon van vroeg gepensioneerde rijken is in de 21e eeuw nog steeds waar te nemen. De kapitein breidt zijn bezit in Hilvarenbeek rap uit. Bij de vorige verkoop van het kasteel in 1681 door de erfgenamen van kanunnik Sebastiaen Verrijth was Groenendael op landbouwgebied uitgekleed. Er moesten weer akkers en weilanden bijhoren, vond de nieuwe kasteelheer. En waar kon hij goedkoper terecht dan bij een van de talrijke executieverkopen die in die tijd werden gehouden? Steeds meer boeren konden de hoge belastingen niet meer opbrengen, de prijzen waren fors gedaald en er waren bijna jaarlijks misoogsten. Onder anderen Jan Huijbregts (Westerwijk), Aert Cornelis (Esbeek), Geertruij Nodens, Hendrick Daniels (Gorp), Anthonij Heijligers (Westerwijk) Hendrik Huijsman en Hendrik Huijbrechts (Spul) gingen in de misere ten onder. Zij allen werden in 1721 uitgekocht door de deurwaarder op last van de 'edelmogende heren raden van staten der verenigde nederlanden op authorisatie van de heren regeerders van Hilvarenbeek'en telkens was de koper die vreemde kapitein wiens naam ze maar niet goed konden schrijven. Ik heb in de transportakten en in de voor schepenen afgelegde verklaringen zeker tien varianten gevonden, van Weijheren tot Weigeren, van Weijhertt tot Weijteren. Een jaar na zijn komst naar Hilvarenbeek bezat hij behalve Groenendael genoeg boerderijen en lland om volwaardig heerboer te kunnen spelen. De voormalige eigenaren mochten blijven als pachters en konden voortaan jaarlijks met de pet in de hand naar het kasteel om de pacht af te dragen. Populair word je hier natuurlijk niet mee. Je ziet vaker dat legerofficieren maar moeilijk de draai kunnen maken naar een burgerlijk leven. Ze blijven bevelen geven, ze beschouwen hun nieuwe omgeving als een compagie waarin alles strak geregeld moet zijn en waar slechts één iemand de baas is: de kapitein. Ook van Wijhernn liet zich niet commanderen, wat op 4 december 1720 leidde tot een incident in Bladel dat voor de kapitein verkeerd had kunnen aflopen. Hij had in Bladel een koeketel, vaatwerk en een paar varkens gekocht en was daarmee op weg naar huis toen hij werd aangehouden door Cornelis de Haes, commies van de Brabantse tol en Johan Crols ('substituut-ontvanger licenten en convoijen'), die ook nog zijn zoon bij zich had.Crols sr. had een snaphaan in de aanslag. De lezing van Weijhernn, 'De tollenaar wilde de goederen op de kar zien. Later is er geschoten met groffe hagel, waardoor ik ben geraakt in mijn linkerheup, wat ik in Bladel door twee eerlijke mannen heb laten inspecteren.' Zijn knecht Nol Voets voegde aan deze verklaring nog toe dat 'De haes heeft gezien dat mijn meester twee pistolen op de arm had liggen, maar niet kon zien of deze gespannen waren.' De commies nam dus geen risico en schoot meteen. Raak. De getergde Van Weijhernn maakte de zaak aanhangig bij de Raad van Brabant in Den Bosch, maar die liet het incident met een sisser aflopen. Thuis ging het niet goed. De blijdschap om de geboorte van de eerste zoon Ludwig Christiaan Carel op 6 september 1721 sloeg om in verdriet toen het kind zes weken later overleed. En het werd akelig stil op Groenendaal toen anderhalf jaar later ook zijn geliefde Regina kwam te overlijden. Zijn toch al opvliegende karakter had daar al kennis mee gemaakt. Met zijn collega-schepen Van Andel maakte hij vanaf zijn entree in 1722 als president-schepen voortdurend ruzie. Reeds bij een van de eerste vergaderingen van schepenen gingen Van Andel en Van Weijhernn met elkaar op de vuist. Eerst gooiden ze inktkokers naar elkaar en daarna werd er krachtig van de rotting gebruik gemaakt. De aangedane Van Andel liet zich een poos niet meer zien op het raadhuis. De kapitein buiten dienst trad doortastend op in de vele geschillen die het dorp beroerden, maar al snel bleek dat hij bijzonder eigengereid was en zijn persoonlijke belangen boven alles stelde. Wanneer de twee Beekse schutters (door het dorpsbestuur aangewezen toezieners op loslopend vee) in de grote bocht van het Groot Loo twee lammeren van hem vangen en vastzetten, is het raadhuis meteen te klein. Van Weijhernn vond dat hij boven de wet stond. Mededogen met de lijdende medemens was de president-schepen vreemd. Tegen de zin van de bevolking zette hij Peter Dawans met vrouw en vijf kleine kinderen op straat omdat deze armlastige dorpsgenoot zou hebben geknoeid met borgbrieven. De gereformeerde Weijhernn reageerde nogal laconiek op de brede kritiek. Hij merkte droogjes op dat 'hij het genoeglijk vond, de naam van den kleinen dicatotor te dragen.' Minstens één Bekenaar pikte dit gedrag niet. Op zondagavond 28 juli 1724 rond half tien loopt Weijhernn met zijn 17-jarige knecht Jan van Loon van de markt naar Groenendael. 'Gekomen bij het peertskerkhof zat iemand met een schietgeweer in de heg, wat ketste waarop ik vuur zag. De persoon is daarna weggelopen. Aldus de verklaring die de knecht aflegde voor de schepenen van Hilvarenbeek. De dader is nooit gevonden.' In de zomer van 1725 ging het faliekant mis. De Bekenaren klaagden alsmaar luider over de dictator van Groenendael. Op de achtergrond speelde de afkeer van het katholieke Hilvarenbeek tegen de macht van de gereformeerden. De aanleiding tot zijn ondergang was behoorlijk bizar. In juni vond de zoveelste executie plaats van 'heidenen', die een serie inbraken hadden gepleegd in het dorp. Acht personen werden met slechts een heel klein beetje proces ter dood veroordeeld. Het waren Barbel Sophia, Peeter van Dorp alias Chassine, Johannes Chavones, en Magdaleen St. An, Jan van Ackerveecken, Jan Ribrechts, Paulus Recteur en Anthonij van Mechelen. De volgende dag stond er tegen het schavot een bord met scheldwoorden en andersoortige kritiek aan het adres van het repressieve gezag. Dit bikkelharde zero-tolerance-beleid ging zelfs de achttiende-eeuwse Bekenaren te ver. Bijltjesdag Op 28 Augustus hielden de schepenen (zonder Weijhernn) bijltjesdag. Leendert Jan Joordens en Peter Otten vertelden ooit door de kapitein uitgescholden te zijn voor hondsvot toen zij belasting kwamen innen. Een andere keer zou Weijhernn de belastinginner op het hoofd hebben geslagen. Vervolgens doen de twee Beekse schutters maar al te graag een boekje open over de president-schepen. Hij zou twee jaar terug zo'n dertig door de schutters gevangen schapen weer uit de schutskooi gelaten hebben. Dat is ernstig zondigen tegen de regels. Paarden die zijn gebied bestreden schut de kapitein zelf, 'zoals hij dat gedaan heeft met het paard van Willem van den Nieuwenhuijzen en het paard van Dirck Bressers'. En ook dit is tegen de schutsregels.Jan Hendrick Wilborts weet nog goed dat de aangeklaagde kapitein in de Voort een boer met een stok heeft geslagen en eraan toevoegde: 'het spijt me dat ik die hond niet meer heb geslagen'. Bij Jan de Hont heeft hij ooit zijn pijp uit zijn mond geslagen en hem uitgemaakt voor hondsvot toen deze weigerde te stoppen met roken op een openbare bijeenkomst van gereformeerden. De golf van kritiek betekende het einde van de bestuurlijke loopbaan van de kasteelheer. Het volk pruimde hem niet meer, en het volk heeft altijd gelijk. Van de kapitein buiten dienst is na die augustusmaand weinig meer vernomen. We komen hem nog een keer tegen als er in 1727 akkergewassen van hem in het openbaar worden geveild, maar dan heeft hij Groenendael en Hilvarenbeek al verbitterd met onbekende bestemming de rug toegekeerd. Waarschijnlijk terug naar het leger, waar hij thuishoorde. Groenendaal mocht omstreeks 1727 weer een nieuwe excentrieke heer verwelkomen: Jacques de la Motte (Lamotte) geboren in de Franse provincie Poitou. Hij huwde in 1738 met Theresia Noel uit het Franse Rerin. Hilvarenbeek had het met deze passant beter getroffen. Hij was een waardig kasteelheer en stond bekend als een eerlijk man, zo verklaarde het dorpsbestuur in 1741. Drie jaar later kreeg het kasteel opnieuw een andere eigenaar. Johan Louis Verster, notabele van Den Bosch, verkoopt het slotje dat hem is 'aangekomen' van stadsgenoot Willem Roels aan zijn schoonzoon Henricus Nagelmakers. |